Strandchaos 2010
Kafka of Kuifje
Het desolate parkeerterrein sombert onder een dicht wolkendek en een krachtige wind. De weersverwachtingen voorspellen evenwel een regenloze ambiance voor de zesde Strandchaos.
Auto’s druppelen binnen; bassets worden op het asfalt geparkeerd. Geblaf, gekwispel; “hé, ben je er ook? Gezellig!” “Hoe oud is-ie?” “Goh, ik dacht dat jullie er maar ééntje hadden.” Enzovoorts… De ouverture voor de zesde Chaos wordt ingezet, poco a poco crescendo.
En dan wordt ’t opeens wat kafkaiaans: Er stopt een busje. Een man met een hond stapt uit. Ik loop naar ‘m toe met het obligate poepzakje in de hand. “Hallo,” zeg ik. Hij stelt zich voor. “Henk Bakker,” zegt hij. “Ja natuurlijk,” zeg ik, “jij bent de maker van die prachtige foto’s van vorig jaar.”
Daar stopt weer een auto; ik zie wat bassetachtig gewemel achterin. Ik erop af. “Hallo,” zeg ik. Hij stelt zich voor. “Henk Bakker,” zegt hij… Even ben ik de kluts kwijt en moet opeens denken aan een verhaal van Kafka dat ik ooit eens las – ik weet niet meer welk – of was ’t misschien helemaal niet van Kafka, maar slechts een Kuifje-strip van Hergé? ’t Is allemaal te lang geleden. Gaat ’t hier om Jansen en Tilanus? Om Remulus en Romus? Om Snip en Snap? Om Johnny en Rijk? Om de Dikke en de Dunne? Nee, die gedachte is onjuist. Het gaat hier niet om een obligaat duo; het gaat hier om aparte individuen met – lang leve het toeval – exact dezelfde naam. Dus zoiets als Anker en Anker of Jansen en Jansen. Henk Bakker en Henk Bakker passen prima in dit rijtje. Hebben ze dus iets met elkaar gemeen? Ogenschijnlijk niet, maar de ene Henk Bakker stelt een doos met fluweelachtige Hush-Puppy-bassetjes ter beschikking en verzorgt weer belangeloos een fotoreportage van het evenement, en de andere Henk Bakker doneert een royaal bedrag bestemd voor de kas van onze penningmeester. Hoe moet je die beide identieke namen nu onder één noemer brengen? Het antwoord is achteraf simpel te geven: ze houden beiden van bassets, dat is alles, en daarin zijn ze allerminst uniek, getuige het navolgende verslag.
Al dagen van tevoren klikken we dagelijks op ‘buienradar.nl’. Aanvankelijk ziet ’t er niet goed uit. ‘Neerslagkans: 85%,’ zo luidt het. In de oproep/uitnodiging in The Nose hadden we stoer gemeld: “(…) maar we zijn geen watjes…” Je maakt je dus zorgen, maar weet dat de Chaos gewoon moet doorgaan, ook als ijs en weder niet dienen. Maar op de een of andere manier heeft Onze-Lieve-Heer een warm plekje in Zijn hart voor de wandelingen met ons langorig geteisem. Volgens de wetten van de Waarschijnlijkheidstheorie (‘kansberekening’), kan het geen toeval zijn dat de weergod Pluvius zich gedurende vijf achtereenvolgende Frieslandwandelingen en zes dito Strandchaossen koest hield. Ook onze Pluuf houdt van bassets. Kennelijk.
De opkomst is verheugend groot: zo’n vijftig bassets en tachtig tweevoeters melden zich op het parkeerterrein. Ze komen uit alle delen van het land; zelfs onze zuiderburen zijn weer vertegenwoordigd.
De wandeling verloopt zoals de bedoeling is, namelijk nogal chaotisch. Baukje – als verantwoordelijk (mede-)organisator – neemt de taak op zich om op Ollie en Floris te letten, de minst serviele van ons kwartet. Ik heb een makkie: Bas en Pyke in de gaten houden. Maar ik keuvel met Jeannette – mijn ex-collega Engels uit Schoorl – met Kees uit Schagen, met Jan uit Middenbeemster, met Nies uit Dronrijp, met wildvreemde mensen; het doet er niet toe… Het gevolg is dat ik mijn plicht verzaak, want opeens is onze Bas pleite, nergens te bekennen. Ik race naar de kop van de meute: geen Bas. Ik race naar de staart van de meute: geen Bas. Ik vraag her en der naar een hond met een rode boerenzakdoek om de hals: geen positieve respons. In arren moede besluit ik spoorslags terug te keren naar het startpunt, het parkeerterrein...
Daar komen in de verte Janpiet en Tanneke Beunder aanzetten – echte bassetgekken – die we vorig jaar geïnterviewd hebben voor de rubriek ‘Kijk op een Koper’ in The Nose. (2009 nr. 4) Ze zijn wat verlaat. En ze voeren ons Bassemanneke mee aan de riem. “Ja, hij was op weg naar het parkeerterrein; we hebben ‘m maar meegenomen omdat we wel vermoedden dat-ie uit de koers was geraakt.“ Goddank, Bas is terecht.
Het woord ‘Strandchaos’ is natuurlijk een leuke vondst, maar het is toch niet de bedoeling dat daaronder ook de hond van de organisator valt.
De nieuwe beheerder van ‘Voorheen Minkema’ – Joost Botman – heeft er middels zijn collega Clarence voor gezorgd dat ’t ons aan niets zal ontbreken. Hij houdt woord: in een aparte vleugel van het paviljoen vinden alle deelnemers een weldadige lafenis, alvorens terug te keren naar de auto’s.
De zesde Chaos zit erop. Eenmaal thuis zoeken onze honden elk hun eigen mand op en zetten het onmiddellijk op een luidkeels snurken. Ik ben jaloers op ze, maar kan – ondanks mijn intense, maar voldane vermoeidheid – niet naast ze kruipen, nee, ik moet nog een salade maken, aardappels koken en twee biefstukjes bakken. En daarna…? Ik trek een goeie fles open… Ach, het is weer mooi geweest.
Rop Douwes
Het desolate parkeerterrein sombert onder een dicht wolkendek en een krachtige wind. De weersverwachtingen voorspellen evenwel een regenloze ambiance voor de zesde Strandchaos.
Auto’s druppelen binnen; bassets worden op het asfalt geparkeerd. Geblaf, gekwispel; “hé, ben je er ook? Gezellig!” “Hoe oud is-ie?” “Goh, ik dacht dat jullie er maar ééntje hadden.” Enzovoorts… De ouverture voor de zesde Chaos wordt ingezet, poco a poco crescendo.
En dan wordt ’t opeens wat kafkaiaans: Er stopt een busje. Een man met een hond stapt uit. Ik loop naar ‘m toe met het obligate poepzakje in de hand. “Hallo,” zeg ik. Hij stelt zich voor. “Henk Bakker,” zegt hij. “Ja natuurlijk,” zeg ik, “jij bent de maker van die prachtige foto’s van vorig jaar.”
Daar stopt weer een auto; ik zie wat bassetachtig gewemel achterin. Ik erop af. “Hallo,” zeg ik. Hij stelt zich voor. “Henk Bakker,” zegt hij… Even ben ik de kluts kwijt en moet opeens denken aan een verhaal van Kafka dat ik ooit eens las – ik weet niet meer welk – of was ’t misschien helemaal niet van Kafka, maar slechts een Kuifje-strip van Hergé? ’t Is allemaal te lang geleden. Gaat ’t hier om Jansen en Tilanus? Om Remulus en Romus? Om Snip en Snap? Om Johnny en Rijk? Om de Dikke en de Dunne? Nee, die gedachte is onjuist. Het gaat hier niet om een obligaat duo; het gaat hier om aparte individuen met – lang leve het toeval – exact dezelfde naam. Dus zoiets als Anker en Anker of Jansen en Jansen. Henk Bakker en Henk Bakker passen prima in dit rijtje. Hebben ze dus iets met elkaar gemeen? Ogenschijnlijk niet, maar de ene Henk Bakker stelt een doos met fluweelachtige Hush-Puppy-bassetjes ter beschikking en verzorgt weer belangeloos een fotoreportage van het evenement, en de andere Henk Bakker doneert een royaal bedrag bestemd voor de kas van onze penningmeester. Hoe moet je die beide identieke namen nu onder één noemer brengen? Het antwoord is achteraf simpel te geven: ze houden beiden van bassets, dat is alles, en daarin zijn ze allerminst uniek, getuige het navolgende verslag.
Al dagen van tevoren klikken we dagelijks op ‘buienradar.nl’. Aanvankelijk ziet ’t er niet goed uit. ‘Neerslagkans: 85%,’ zo luidt het. In de oproep/uitnodiging in The Nose hadden we stoer gemeld: “(…) maar we zijn geen watjes…” Je maakt je dus zorgen, maar weet dat de Chaos gewoon moet doorgaan, ook als ijs en weder niet dienen. Maar op de een of andere manier heeft Onze-Lieve-Heer een warm plekje in Zijn hart voor de wandelingen met ons langorig geteisem. Volgens de wetten van de Waarschijnlijkheidstheorie (‘kansberekening’), kan het geen toeval zijn dat de weergod Pluvius zich gedurende vijf achtereenvolgende Frieslandwandelingen en zes dito Strandchaossen koest hield. Ook onze Pluuf houdt van bassets. Kennelijk.
De opkomst is verheugend groot: zo’n vijftig bassets en tachtig tweevoeters melden zich op het parkeerterrein. Ze komen uit alle delen van het land; zelfs onze zuiderburen zijn weer vertegenwoordigd.
De wandeling verloopt zoals de bedoeling is, namelijk nogal chaotisch. Baukje – als verantwoordelijk (mede-)organisator – neemt de taak op zich om op Ollie en Floris te letten, de minst serviele van ons kwartet. Ik heb een makkie: Bas en Pyke in de gaten houden. Maar ik keuvel met Jeannette – mijn ex-collega Engels uit Schoorl – met Kees uit Schagen, met Jan uit Middenbeemster, met Nies uit Dronrijp, met wildvreemde mensen; het doet er niet toe… Het gevolg is dat ik mijn plicht verzaak, want opeens is onze Bas pleite, nergens te bekennen. Ik race naar de kop van de meute: geen Bas. Ik race naar de staart van de meute: geen Bas. Ik vraag her en der naar een hond met een rode boerenzakdoek om de hals: geen positieve respons. In arren moede besluit ik spoorslags terug te keren naar het startpunt, het parkeerterrein...
Daar komen in de verte Janpiet en Tanneke Beunder aanzetten – echte bassetgekken – die we vorig jaar geïnterviewd hebben voor de rubriek ‘Kijk op een Koper’ in The Nose. (2009 nr. 4) Ze zijn wat verlaat. En ze voeren ons Bassemanneke mee aan de riem. “Ja, hij was op weg naar het parkeerterrein; we hebben ‘m maar meegenomen omdat we wel vermoedden dat-ie uit de koers was geraakt.“ Goddank, Bas is terecht.
Het woord ‘Strandchaos’ is natuurlijk een leuke vondst, maar het is toch niet de bedoeling dat daaronder ook de hond van de organisator valt.
De nieuwe beheerder van ‘Voorheen Minkema’ – Joost Botman – heeft er middels zijn collega Clarence voor gezorgd dat ’t ons aan niets zal ontbreken. Hij houdt woord: in een aparte vleugel van het paviljoen vinden alle deelnemers een weldadige lafenis, alvorens terug te keren naar de auto’s.
De zesde Chaos zit erop. Eenmaal thuis zoeken onze honden elk hun eigen mand op en zetten het onmiddellijk op een luidkeels snurken. Ik ben jaloers op ze, maar kan – ondanks mijn intense, maar voldane vermoeidheid – niet naast ze kruipen, nee, ik moet nog een salade maken, aardappels koken en twee biefstukjes bakken. En daarna…? Ik trek een goeie fles open… Ach, het is weer mooi geweest.
Rop Douwes